Er zijn twee ingangen. Met primitieven stapel je blokken, cilinders en bollen tot de vorm klopt — prima voor een houder, een afstandsbus of een beugel. Voor een profiel dat je niet uit standaardvormen krijgt, teken je eerst een schets en trek je die uit (extruderen) of draai je hem rond een as (wentelen); een knop, een wiel of een fles staat er dan in één handeling. Modelleer meteen op ware grootte in millimeters: een 3D-model draagt zelf geen eenheid, en de slicer gaat er later vanuit dat één eenheid één millimeter is. Alles rekent in je eigen browser, dus je ontwerp blijft op je eigen computer.
Gaten maak je niet met een gum, maar door een cilinder van je model af te trekken — een boolean. Heb je een rij bevestigingsgaten nodig, trek er dan één af en herhaal die met een patroon: sneller, en de afstanden blijven exact gelijk. Meet daarna na, want de maat uit je schets is niet de maat die uit de printer komt. Een gat van 5 mm voor een M5-bout klemt; reken op twee tot vier tiende millimeter speling. Twijfel je over een dunne wand, reken de spanning dan na met eindige elementen voordat je uren printtijd verstookt.
STL exporteer je voor de printer: dat bestand bevat alleen driehoeken, precies wat een slicer nodig heeft. 3MF doet hetzelfde, maar neemt ook de kleur per lichaam mee, en de meeste moderne slicers lezen het. Moet een collega of leverancier het model in zijn eigen CAD-pakket verder gebruiken (Fusion 360, SolidWorks, Inventor, FreeCAD), exporteer dan een STEP: elk lichaam wordt een solid met vlakke vlakken, met zijn naam en kleur. Ronde vormen staan daarin als facetten, niet als echte cilinders. OBJ en glTF gebruik je als het model naar een render- of 3D-programma gaat. Let op de fijnheid van die driehoeken: hoe ronder de vormen, hoe meer driehoeken en hoe groter het bestand. Past het daardoor niet meer in een mailbijlage, dan verstuur je het als downloadlink.